“Focusgroepen zijn geschikt voor álle participanten” en “Participanten zouden zelf moeten kunnen kiezen tussen interviews en focusgroepen”. Met deze stellingen opende ik recent een paneldiscussie tijdens de World Conference on Qualitative Research in Madrid, waar collega‑onderzoekers en ik de rol van participanten in dataverzamelingskeuzes bespraken. Op papier lijken focusgroepen een breed inzetbare methode, maar in de praktijk rijst de vraag in hoeverre zij voor alle participanten en onderwerpen daadwerkelijk passend en inclusief zijn.

Als onderzoekers kiezen we vaak methoden op basis van de onderzoeksvraag of praktische overwegingen. Maar hoe vaak vragen we ons af: wat wil de participant eigenlijk? De keuzes die wij maken beïnvloeden niet alleen de kwaliteit van de data, maar ook het comfort, de veiligheid en de ervaring van degenen die deelnemen. De discussie zette me aan het denken over hoe vanzelfsprekend onze methodologische keuzes soms zijn. In deze blog reflecteer ik op mijn panelervaring en nodig ik lezers uit om mee te denken over de vraag hoe participantgericht onze methodologische keuzes werkelijk zijn. Om die reflectie goed te plaatsen, is het zinvol om kort stil te staan bij wat de literatuur hierover zegt.
Wat de theorie zegt
In kwalitatief onderzoek is de keuze tussen individuele interviews en focusgroepen al lange tijd onderwerp van discussie (Barbour, 2007; Krueger & Casey, 2015). Beide methoden zijn goed onderbouwd, maar ze hebben elk andere methodologische en ethische implicaties, vooral bij groepen in kwetsbare posities zoals kinderen, migranten of mensen met chronische aandoeningen.
Focusgroepen bevorderen collectieve betekenisvorming. Participanten kunnen elkaars ervaringen bevestigen, uitdagen en verder uitbouwen, wat unieke inzichten oplevert. Tegelijkertijd zijn er risico’s: sommige stemmen worden overschaduwd en het delen van gevoelige informatie is moeilijk te beheersen (Dubé et al., 2023). Vooral bij kinderen of traumatische ervaringen moeten de voordelen zorgvuldig worden afgewogen tegen mogelijke schade.
Interviews bieden juist een veilige één-op-één setting. Ze zijn geschikt voor persoonlijke verhalen over gevoelige onderwerpen, zoals misbruik of stigma (Roulston, 2010). Het vertrouwen tussen interviewer en participant is cruciaal, maar de interactieve dimensie van focusgroepen ontbreekt.
Onderzoekers rechtvaardigen keuzes vaak op basis van praktische overwegingen of aannames over kwetsbaarheid, in plaats van systematische vergelijking van datakwaliteit of participantervaringen (Guest et al., 2020). Toch zijn die perspectieven essentieel voor passende, ethische en betrouwbare dataverzameling. Veel van deze theoretische overwegingen herken ik uit mijn eigen onderzoek.
Wat het panel mij leerde
Tijdens ons panel op de WCQR in Madrid bleek echter dat deze theoretische overwegingen in de praktijk vaak genuanceerder uitpakken. Er ontstond een levendige discussie over de stellingen “Focusgroepen zijn geschikt voor alle participanten” en “Participanten zouden zelf moeten kunnen kiezen tussen interviews en focusgroepen”.
Sommige aanwezigen benadrukten dat focusgroepen in bijna elke situatie kunnen werken, mits je flexibel bent met het format. Zo gaf een panellid aan dat focusgroepen met kinderen van 9 tot 11 jaar verrassend goed werkten, vooral wanneer ze serieus werden genomen en hun inbreng werd gewaardeerd. Ook met de inzet van asynchrone of anonieme focusgroepen kunnen groepen worden bereikt die anders misschien uitgesloten zouden blijven.
Tegelijkertijd kwamen ook duidelijke grenzen van focusgroepen naar voren. Voor sommige doelgroepen is een groepssetting simpelweg niet geschikt. Denk aan jongeren met selectief mutisme, gedetineerden of mensen die over zeer gevoelige of traumatische ervaringen spreken: zij kunnen niet, niet veilig, of niet vrijuit deelnemen. Ook in andere situaties speelt privacy een rol. Er werd een voorbeeld gedeeld van onderzoek binnen een eigen werkomgeving, waarbij collega’s in een focusgroep met elkaar in gesprek zouden gaan over gevoelige kwesties. In zo’n context spelen hiërarchie, loyaliteit en afhankelijkheid een rol. Wat je deelt, blijft niet zonder consequenties. Dat roept de vraag op wie in zo’n situatie beslist welke methode passend is — en op basis waarvan.
Een stem uit de zaal begon stellig: “Onderzoekers moeten altijd de regie houden — zij zijn de expert, hebben zicht op de onderzoeksvraag en weten welke methode daarbij past.” Veel mensen in de zaal haakten hier in eerste instantie op aan. Daarna werd die stelling genuanceerd: regie betekent niet per se dat je keuzevrijheid voor participanten uitsluit. We bespraken of participanten — binnen duidelijke kaders — zelf mogen kiezen tussen een interview of een focusgroep. Voorstanders zagen dat dit het comfort vergroot, meer controle geeft en mogelijk de deelname verhoogt. Tegelijkertijd wezen anderen op praktische uitdagingen: beschikbare tijd, de onderzoeksdoelen en vooral de vergelijkbaarheid van data. De moderator bracht het terug naar onze professionele verantwoordelijkheid: “Data zou niet vergelijkbaar zijn als je beide opties aanbiedt — maar dat is óns probleem als onderzoekers, niet dat van de participanten.” Die opmerking bleef hangen. Hoe vaak verschuilen we ons achter methodologische zuiverheid?
Juist die spanning maakt duidelijk dat methodologische keuzes nooit eenduidig zijn. Focusgroepen en interviews kunnen elkaar aanvullen, maar de context, veiligheid en voorkeur van participanten bepalen vaak de uiteindelijke beslissing. Deze voorbeelden laten zien hoe complex de afwegingen in de praktijk kunnen zijn. Dat brengt me bij een bredere reflectie op participantgerichte keuzes.
Reflectie en overwegingen voor onderzoek
Voor mij maakte het panel vooral duidelijk hoe gelaagd en contextafhankelijk deze afwegingen zijn. Ik merkte dat ik mijn eigen aannames over ‘geschikte’ methoden opnieuw moest bevragen. De discussie maakte één ding duidelijk: er is geen simpele oplossing voor de vraag of focusgroepen voor iedereen geschikt zijn, of dat participanten zelf mogen kiezen. Wat vooral opvalt, is dat participantgerichte keuzes altijd contextafhankelijk zijn.
Als onderzoeker is het belangrijk om bewust stil te staan bij wie je participanten zijn, welke dynamieken spelen en wat hun comfort en veiligheid beïnvloedt. In sommige gevallen kan een individuele aanpak beter passen, bijvoorbeeld bij gevoelige onderwerpen of groepen in kwetsbare posities. In andere gevallen kan een groepsgerichte aanpak juist waardevolle interacties en inzichten opleveren die je via een individuele aanpak niet krijgt.
Een prikkelende conclusie uit het panel: methodologische flexibiliteit is essentieel—focusgroepen en interviews vullen elkaar aan. Niet het ‘perfecte’ ontwerp staat centraal, maar ethisch verantwoorde, betekenisvolle participatie. De onderzoeker is verantwoordelijk voor methodische keuzes en datakwaliteit, maar die verantwoordelijkheid mag niet leidend zijn als dat ten koste gaat van wat het beste past bij de doelgroep. Dat raakt ook aan de discussie over groepen in kwetsbare posities: bepalen wij eenzijdig wie te kwetsbaar is, of beslissen we samen met participanten als mede‑experts van hun eigen ervaringen? Mijn uitgangspunt: samen kiezen binnen heldere kaders (veiligheid, privacy, belasting), risico’s mitigeren en transparant vastleggen waarom we doen wat we doen.
Tot slot is er een spanningsveld tussen praktische haalbaarheid en participatie: tijdsdruk, onderzoeksdoelen en de kwaliteit van data kunnen soms beperkingen opleggen. Toch blijft de kernvraag: hoe kunnen we participanten meer stem geven in methodologische keuzes zonder de integriteit van het onderzoek te verliezen? Het antwoord ligt vaak in reflectie, afwegingen en soms creatieve hybride oplossingen. Deze overwegingen brengen me terug bij de centrale vraag van dit blog.
Conclusie: de participant centraal
De discussie rondom interviews en focusgroepen laat zien dat methodologische keuzes niet los staan van de participant. Wie de participant centraal stelt, ontdekt dat elke groep anders is en dat flexibiliteit, ethiek en context cruciaal zijn. Voor mij onderstreept deze discussie dat participantgerichte keuzes geen luxe zijn, maar een essentieel onderdeel van kwalitatief onderzoek.
De stellingen uit het panel, zoals “Focusgroepen zijn geschikt voor alle participanten” of “Participanten zouden zelf moeten kiezen”, laten zien dat er geen universeel antwoord bestaat. Maar het bewust nadenken over deze vragen leidt tot beter onderzoek en meer betrokken participanten.
Dus de volgende keer dat je een focusgroep of interview plant: wie laat jij eigenlijk de keuze maken? En hoe zorg je ervoor dat deze keuzes recht doen aan de participant én aan het onderzoek? Reflecteer, durf vragen te stellen en wees flexibel — dat is wat kwalitatief onderzoek écht waardevol maakt.
Bio
Lisa Tessensohn is PhD-student aan de Universiteit Leiden en onderzoekt de rol van verschillende dataverzamelingsmethoden en -modi in kwalitatief onderzoek, zowel online als offline. In dit blog deelt ze reflecties uit een paneldiscussie over participantgerichte keuzes tijdens de World Conference on Qualitative Research in Madrid.
Referenties
Barbour, R. (2007). Doing focus groups. London, UK: Sage Publications.
Dubé, L., Smith, J., & Brown, K. (2023). Ethical considerations in focus groups with vulnerable populations. Qualitative Research Journal, 23(2), 115–130.
Guest, G., Namey, E., & Chen, M. (2020). Comparing interviews and focus groups: Insights from qualitative research. Field Methods, 32(1), 58–73.
Krueger, R. A., & Casey, M. A. (2015). Focus groups: A practical guide for applied research (5th ed.). Thousand Oaks, CA: Sage Publications.
Roulston, K. (2010). Reflective interviewing: A guide to theory and practice. London, UK: Sage Publications.